StartpaginaOver BohanGeschiedenisOrchimont

De geschiedenis van Orchimont


Orchimont wordt in 1028 onder de vorm <Orciso monte> vermeld, in 1055 onder de vorm <Urcisus mons> en in 1067 als <Urcismons>.

Volgens een onwaarschijnlijke etymologie wordt deze naam uitgelegd als de vervorming van het Latijnse <Ursi Mons> - berg van de beer - maar waarschijnlijk ligt een lid van een Romeins en misschien wel van een Merovingisch geslacht aan de oorsprong ervan, en kan Orchimont betekenen <de berg van Uric-so>.

Orchimont was de zetel van een leen en de hoofdplaats van een destijds zeer belangrijke kastelenij en proosdij.

De Middeleeuwse burcht van Orchimont werd opgericht in de 10de eeuw, en de oudst gekende heer van Orchimont is graaf Godfried die leefde omstreeks het einde van de 10de eeuw.

Wapenschild Orchimont


Het wapenschild van Orchimont (Namen). K.B. van 21 januari 1957. verlenging (B.S. van 14 december 1757). Van sabel met een rechter schuinbalk vergezeld van smalle banden, alles van zilver - het schild overtopt met een helm van zilver van antiek model, getralied, gehalsband en omboord van goud gevoerd en vastgehecht van keel, met wrong en dekkleden van sabel en van zilver.

Akten van 1208 en 1218


Dit in feite weinig gekende personage schijnt de erfelijke leenheer te zijn geweest van Gedinne en men neemt aan dat hij stamde uit de familie van de graven van Chiny.

Onder zijn nakomelingen dient Jaques I te worden vermeld, die een belangrijk heer moet geweest zijn tussen de aristocratie van zijn tijd, vermits zijn naam voorkomt bij de ondertekening van het verdrag van Saint-Médard in 1199 en in verscheidene andere belangrijke akten van 1208 en 1218.

Gislebert II van Orchimont had een broeder Gerard die monnik werd in de benidiktijnerabdij van Florennes; in 1126 was hij abt van dit klooster en hij overleed in een geur van heiligheid te Signy-l' Abbaye in 1138.

Jaques I

Sedert Jaques I bezit men meerdere bijzonderheden over de staat en het beheer van de heerlijkheid van Orchimont. Het kasteel hing in leen af van het graafschap van Rethel en was een achterleen van het graafschap Luxemburg.

De heer van Orchimont had dan reeds een proost over het beheer van het leen dat zich over drie mijlen uitstrekte langs de beide oevers van de Semois, van Alle tot Monthermé, gaande van Sugny in het Zuiden, tot Gedinne, Bièvre en Baillamont in het Noorden.

De graven van Orchimont hadden binnen de grenzen van dit uitgestrekte domein lenen in het bezit van afhankelijke heren. Boudewijn, heer van Orchimont, is gekend uit een akte van 1235, waarin hij verklaart de goederen die hij te Alle bezit samen te voegen met deze die Jean, bisschop van Luik en dus hertog van Bouillon er bezat.

De goederen werden bijgevolg gelijk verdeeld tussen de twee heren.
Gerard II van Orchimont ging op kruistocht maar kwam niet terug.
Hij had twee kinderen: Maria huwde met Pieter van Beaufort, heer van Spontin en Jacques II van Orchimont, die in 1297 zijn allodium onder de bescherming van de bisschop van Luik stelde en bijgevolg zijn leenman werd.

Jaques II

In 1931, verkocht Jacques II van Orchimont zijn kasteel, zijn lenen en afhankelijkheden aan Jan de Blinde, koning van Bohemen en Polen, graaf van Luxemburg, aangezien hij zelf geen mannelijke afstammelingen had.
Jan de Blinde kende op 11 maart 1328 een vrijdom toe aan de burgers van Orchimont door een charter waarin de schepenrechtspraak van de stad afgelijnd werd.

Jacques II van Orchimont stierf in 1346 en zijn naam verdween met hem. Andere families met dezelfde naam komen later voor maar schijnen niet verwant te zijn met de vorige. De meest bekende familie is deze van Orchimont van Bièvre waarvan een tak uitweek naar Zweden en die de titel van graaf verkreeg.

Koning van Polen

De koning van Polen begon met het domein van Orchimont te verkopen samen met andere domeinen aan de prins-bisschop van Luik, Adolf van der Marck. Later kwamen ze weer in zijn bezit en hij stond ze af aan zijn tante Maria van Artesië, gravin-douarière van Namen.

De dochter van deze laatste, Elisabeth kreeg het als bruidschat bij haar huwelijk met Rupert, paltsgraaf van de Rijn. In 1354 verhief keizer Karel ten voordele van zijn broeder Wenceslas het graafschap Luxemburg tot hertogdom.

De nieuwe hertog eiste de gronden terug die door zijn vader aan de hertogin van Namen werden verkocht, en na tien jaar betwistingen werden de vier kastelenijen definitief bij het hertogdom Luxemburg gevoegd.
Wenceslas II, bijgenaamd de dronkaard, schonk in 1388 zijn hertogdom aan zijn neef Josse, markies van Moravië, die het in 1402 op zijn beurt afstond aan Louis, hertog van Orléans. Deze prins bevestigde in 1402 de privilegiën en voorrechten die Jan van Bohemen aan de inwoners van Orchimont had toegestaan.

Elisabeth van Görlitz

Tijdens de woelige tijden die Luxemburg kende onder de regering van Elisabeth van Görlitz, werd het kasteel van Orchimont het toevluchtsoord van een gevaarlijke bendeplunderaars gekend onder de naam <Ecorcheurs> (de huidvillers), die onder de leiding van Barthélemy d' Autel, die door keizer Sigismond was aangesteld om het kasteel van Orchimont te bewaken, vochten tegen de Bourgondiërs en de domeinen van prins-bisschop van Luik, Jan van Heinsberg, leeghaalden. Volgens de kroniek van Jan van Stavelot namen de Luikenaars en de Dinantezen het kasteel van Orchimont stormenderhand in, en vernietigden het.

Everard van der Marck kocht het leen Orchimont van Catherine de Merode, weduwe van Barthélemy d' Autel. Everard IV van der Marck erfde het domein Orchimont en stond het af aan een heer Gauthier genaamd, die de titel droeg van heer van Agimont, Orchimont en Javengle, en die overleed in 1447.

Lodewijk I

Het leen Orchimont ging terug over aan Lodewijk I van der Marck die in 1449 tot graaf van Rochefort werd verheven en als erfgenaam had zijn tweede zoon Engelbert, die opgevolgd werd door Everard V in 1514, Filips in 1524, en Lodewijk III van der Marck in 1529.

Lodewijk III, die in het huwelijk was getreden met Elisabeth van Oostenrijk, natuurlijke dochter van keizer Maximiliaan, stierf in 1545 en had als erfgenaam zijn neef Lodewijk van Stolberg, die in 1546 voor het leen Orchimont hulde bracht.
Lodewijk van Stolberg droeg omstreeks 1562 het leen Orchimont over aan koning Filips II, die het in 1573 in pand gaf aan Lancelot de Berlaymont, heer van Beauraing en graaf van Meghen.

De weduwe van deze laatste, Marie de Brimeu, trad in 1579 opnieuw in het huwelijk met Karel van Croy, prins van Chimay, die uit hoofde van zijn echtgenote als pandhouder van Orchimont werd erkend.

In het begin van de 17de eeuw deden de aartshertogen Albrecht en Isabella de gronden die in pand waren gegeven, terugkomen aan het staatsdomein. Orchimont was onder deze gronden begrepen en Nicolas de Vauthier, die provoostkapitein was van Karel van Croy, werd in zijn functies bevestigd.

1635

In 1635 overweldigden de Fransen Luxemburg en ook Orchimont, en staken de oude burcht in brand, die nadien nooit meer werd heropgebouwd. Orchimont viel onder het bewind van Spanje in 1652, werd door de Fransen opgeëist na de inname van Montmédy in 1657 en ambtshalve onder het beheer van Sedan gesteld tot aan de ondertekening van de vrede der Pyreneeën in 1659. Orchimont bleef deel uitmaken van Luxemburg terwijl Damvillers, Montmédy en Thionville aan Frankrijk werden toegekend. Orchimont werd, samen met de 21 dorpen van zijn proosdij en met de 10 ingeschakelde lenen met geweld door Frankrijk teruggenomen, en in 1697 onder de Spaanse overheersing gesteld door de vrede van Rijswijck.

het zegel van Boudewijn van Orchimont

Wanneer men aan de gemeente Orchimont wapens wilde toekennen dacht men natuurlijk vooreerst aan het zegel van Boudewijn van Orchimont dat dateerde van 1236 en die een schild voerde met een rechterschuinbalk. Nadien stelde zich het vraagstuk van de kleuren. Wij zegden reeds dat Goethals het schild van Orchimont beschouwde als zijnde van zilver met rechterschuinbalk van keel geschuind van hetzelfde.

koninklijk besluit van 21 januari 1957

Hierover ondervraagd keek de Rijksconservator van Namen, J. Bovesse, oude documenten in, die bewezen dat de heren van Orchimont gewoonlijk een schild van sabel voerden met rechterschuinbalk en smalle schuinbalk van zilver.
Om deze reden luidt het koninklijk besluit van 21 januari 1957 als volgt: "van sabel met rechterschuinbalk van zilver geschuind van hetzelfde, het schild gestopt met een ouderwetse helm van zilver, getralied, gehalsband en gezoomd van goud, gevoerd en gehecht van keel, met wrongen en dekkleden van sabel en zilver". Een ouderwetse helm is bijna cilindervormig en is gestopt door een bolvormig kopstuk. Ter hoogte van de ogen is er een horizontale spleet, en tussen deze spleet en het onderste gedeelte zijn er een onbepaald aantal gaten.

Advertenties



Copyright 2006 www.bohansemois.be